|
Bijzondere verrichtingen Motorrijbewijs
Tijdens de motorrijopleiding wordt aandacht besteed aan het uitvoeren van de 15 bijzondere verrichtingen die tijdens de beide examens dienen uitgevoerd te worden. Over de examens voor het motorrijbewijs lees je alles onder de rubriek examen in de categorie Motor. Hieronder volgt een beschrijving van de bijzondere verrichtingen per examen.
Examen voertuigbeheersing
Zeven van de 12 bijzondere verrichtingen dienen tijdens het motorexamen voertuigbeheersing uitgevoerd te worden. Dit examen wordt op een parkeerterrein uitgevoerd. Naast de 4 verplichte verrichtingen, kiest de examinator 3 van de overige verrichtingen. In totaal moeten er 5 van de 7 uitgevoerde verrichtingen voldoende uitgevoerd worden.
1. Lopend achteruit parkeren in een parkeervak (verplicht) De bestuurder parkeert al lopend de motor achteruit in een parkeervak. Tijdens deze bijzondere verrichting staat het bewaren van het evenwicht centraal.
2. Langzame slalom (verplicht) De bestuurder rijdt in een slalom tussen alle pylonnen door. Het gaat bij deze verrichting vooral om het houden van de balans in combinatie met een juiste bediening. De kandidaat regelt met een juiste mix van gas, voetrem en eventueel koppeling de snelheid.
3. Denkbeeldige acht De bestuurder rijdt een complete acht binnen een rechthoek. Bij deze verrichting gaat het om het kunnen en durven afschuinen van de motorfiets in combinatie met een juiste bediening met een juiste bediening en een goede kijktechniek (stuurgedrag).
denkbeeldige acht
4. Halve draai De bestuurder maakt binnen een denkbeeldige rijbaanbreedte in één vloeiende beweging een halve draai naar links of naar rechts. Bij deze verrichting is het essentieel dat de kandidaat de snelheid tijdig regelt en vasthoudt. Hierbij is het stuurgedrag en de kijktechniek een belangrijk element.
5. Stapvoets rijden De bestuurder rijdt stapvoets in een rechte lijn. Bij deze verrichting gaat het met name om het bewaren van de balans (kijktechniek) bij lage snelheid in combinatie met de bediening van gas, koppeling en eventueel voetrem. 6. Wegrijden uit parkeervak De bestuurder rijdt vanuit stilstand een gecontroleerde bocht naar links of rechts. Bij deze verrichting gaat het om het gecontroleerd haaks wegrijden binnen de gemarkeerde rijbaan. halve draai 7. Uitwijkoefening (verplicht) De bestuurder ontwijkt een obstakel door naar links uit te wijken en daarna terug te komen op de eigen weghelft. Bij deze verrichting gaat het er om dat de kandidaat de motorfiets kan afschuinen en kantelen in combinatie met een juiste snelheid, bediening en kijktechniek.
8. Snelle slalom De bestuurder rijdt met een hogere snelheid in een vloeiende lijn een combinatie van linker- en rechterbochten. Bij deze verrichting gaat het om het beheersen van de bochtentechniek, het kunnen en durven afschuinen en kantelen van de motorfiets in de juiste snelheid en in een regelmatige cadans.
9. Vertragingsoefening De bestuurder moet tijdig gereed zijn met het accelereren voor het aangegeven punt en gereed zijn met vertragen alvorens de slalom wordt ingezet. Bij deze verrichting gaat het om de gecontroleerde bedieining tijdens het vertragingsdeel en het beheerst uitvoeren van het slalomdeel.
snelle salom
10. Noodstop (verplicht) De bestuurder voert een maximale remming uit zonder de controle over de motorfiets te verliezen. Bij deze verrichting gaat het om de uitvoering van maximale remming zonder daarbij de controle over de motor te verliezen. De kandidaat dient tot stilstand te komen na een zo'n kort mogelijke remweg. 11. Precisiestop De bestuurder voert een gelijkmatige remming uit met een vooraf bepaalde lengte. Bij deze verrichting gaat het om een technisch goed uitgevoerde remming.
12. Stopproef De bestuurder voert een technisch juiste remming uit met een korte remweg, zonder dat er sprake is van een noodstop. Bij deze verrichting gaat het er om dat de kandidaat tot stilstand komt.
Examen verkeersdeelneming
De onderstaande bijzondere verrichtingen worden tijdens het motorexamen verkeersdeelneming uitgevoerd.
13. Op- en afstappen De bestuurder zorgt bij het op- en afstappen dat de motorfiets in evenwicht blijft en er geen gevaar, hinder of schade kan ontstaan.
14. Voorbereidings- en controlehandelingen De bestuurder bereidt de rit voor en voert een controle van de motorfiets uit. Bij deze verrichting gaat het om de basiskennis van het voertuig en de vaardigheid in bedienen of aflezen van de diverse apparatuur.
15. Hellingproef Indien de situatie zich voordoet laat de bestuurder zien dat hij op juiste wijze zijn motorfiets op een helling tot stilstand kan brengen en weer weg kan rijden, zonder daarbij de balans te verliezen.
|